Opening “The Broken Promised Land”, Muga, Heerenveen, 8
september 2024
door Wouter Welling
Honderd jaar geleden publiceerde André Breton zijn vermaarde
Surrealistische Manifest. Dat was niet het begin van hèt surrealisme maar wel
het begin van die kunsthistorische term in de westerse wereld. In Zuid-Amerika
bestond het allang, maar daar had het andere namen zoals magisch realisme. De
afgelopen jaren staat het surrealisme weer volop in de belangstelling, overal
vinden grote tentoonstellingen plaats waarbij meer en meer het Westen en dan
specifiek Parijs, niet meer als het enige centrum wordt beschouwd, maar er
sprake is van een mondiaal perspectief. Om er slechts twee te noemen:
Surrealism Beyond Borders (Metropolitan en Tate, 2021/22) en dit jaar:
Surrealism and Us: Caribbean and African Diasporic Artists since 1940
(Modern Art Museum of Fort Worth, Texas). Ook het Nationaal Museum van
Wereldculturen werkt momenteel aan een concept voor een tentoonstelling over
surrealisme als attitude wereldwijd.
Toen Frida Kahlo André Breton bezocht in
zijn overvolle appartement aan de Rue Fontaine 42 in Parijs noteerde ze in haar
dagboek niet alleen haar verwondering over hoe iemand zo kan leven, maar ook dat
Breton haar een surrealist noemde. Dat was ik al voordat de man deze term
bedacht. Een impressie van dat appartement kunnen we vandaag nog zien op de
beroemde Breton muur in het Centre Pompidou: een merkwaardig conglomeraat van
werken van kunstenaars uit Bretons omgeving en veel, heel veel, en heel erg
goede, etnografica. Het is een soort altaar, niet passend binnen een specifieke
religieuze context, maar geassembleerd op basis van persoonlijke voorkeuren en
associaties. Ik kocht ooit op een veiling de cassette met de achtdelige
catalogus uit 2003 van de collectie Breton die in Parijs onder de hamer is
gegaan en meende die gemakkelijk van het station naar huis te kunnen dragen. Het
is me slechts ternauwernood gelukt, mijn rug protesteerde heftig. Wat deze man
bezat aan kunst van over de hele wereld, aan boeken, aan correspondentie en
fotografie is onwaarschijnlijk. Het is een wereld, een mentaal domein waarin hij
wandelde door de onbewuste lagen van de psyche. Beeldende kunst, etnografica,
literatuur: een mondiaal labyrint dat het menselijk bestaan in alle tijden en
culturen verbindt.
Dit brengt ons meteen in het universum van Arie van Geest, de
bewoner van de Tuin van de Wezenlijke Leegte waarmee ik sinds jaar en dag bekend
ben. Arie is een mythomaan die bouwt aan een vergelijkbaar labyrinth waarin
alles met alles verbonden is. Hij mag graag een anekdote vertellen over het
moment waarop ik mijn intrede in zijn domein maakte. Ik was begin twintig en
bezocht zijn toenmalige atelier om een artikel over zijn werk te gaan schrijven.
Overigens werk dat toen heel anders oogde dan wat we vandaag zien, maar er
inhoudelijk naadloos mee verbonden is. Het maakte diepe indruk op mij. Ik dacht:
dit zou weleens een lang verhaal kunnen worden. Arie herinnert mij er graag aan
dat ik de vraag stelde: “Meneer, verkoopt u ook met studentenkorting?” Ik zou
dit met terugwerkende kracht graag ontkennen, maar ik vrees dat het juist is. Ik
kocht een werk op papier dat ik mij financieel niet kon veroorloven maar mijn
zus was bereid de helft bij te schieten. Het was het begin van wat inmiddels een
vrij substantiële Van Geest collectie is.
Arie heeft een flink aantal uitvoerige en bloemrijke epistels geschreven aan vrienden in Nederland vanuit zijn voormalige
toevluchtsoord met tovertuin grenzend aan de rivier de Vienne in het Franse
Availles-Limouzine. Ze zijn dermate gelaagd en beschouwelijk dat het zeer de
moeite waard zou zijn er een bundel van te publiceren, een soort Privé Domein
deel. Zo ontving ik schriftelijk de raad: “De wijze René Magritte stelde ooit:
Het surrealisme is de onmiddellijke kennis van de werkelijkheid. Doe daar dus je voordeel mee.” Met het
surrealisme is het werk van Arie nauw verbonden maar dat is slechts een van de
invloeden. In de catalogus The Broken Promised Land ga ik nader in op een
aantal kunsthistorische helden van Arie en dat zijn zeker niet allemaal
surrealisten. We kunnen het beter hebben over surrealisme als attitude, het
thema van de tentoonstelling waar we momenteel over nadenken. Bij die attitude
is een aantal kernwoorden van toepassing: zeer individualistisch, associatief,
gerelateerd aan occultisme en het onbewuste (dromen) en maatschappelijk en
politiek geëngageerd. Het is een anti-burgerlijke, anti-autoritaire, subversie
stroming. Het politieke element is hier wellicht minder van toepassing, hoewel
Arie in een aantal werken refereert aan zeer donkere bladzijden in de
geschiedenis. Over het algemeen durf ik te stellen dat het werk van Arie dermate
persoonlijk is, dat het volstrekt universeel van strekking wordt. Hij gebruikt
zichzelf als prisma waarin invloeden uit zijn directe omgeving, uit de
actualiteit in de wereld en uit het enorme reservoir van de kunst- en
literatuurgeschiedenis samenkomen en op het doek worden geprojecteerd in een
voorstelling die tot persoonlijke interpretatie uitnodigt. Hij maakt gebruik van
diverse heteroniemen, figuren uit werkelijkheid en fictie met wie hij zich
verwant voelt. Van Alice in Wonderland tot Frida Kahlo. Kitsch-objecten
aangekocht op de vide greniers in Frankrijk of op rommelmarkten doen het ook
goed. Een beschadigde speelgoedmuis kan uitgangspunt zijn, in een souvenir uit
de Filipijnen, bezet met schelpen, herkent hij God. Zijn verfvisioenen hebben
betekenis voor iedereen omdat ze geworteld zijn in de sedimentlagen van de
menselijke ervaring. Ze zijn bij uitstek bovenpersoonlijk.
In een van zijn brieven *) uit Frankrijk maakt Arie aan Klaas en Heleen Gubbels melding van in toenemende mate verontrustende
en duistere dromen. “In deze angstaanjagende grot vol heimelijke visioenen,
gebroken spiegels en waanvoorstellingen tref ik op de bodem tussen het ordinaire
afval van het leven zelf soms een diamantje aan dat vermoedelijk ooit in het
bezit is geweest van een klein gehandicapt doodskopaapje. Onder de pleisters en
stevig in het verband houdt hij daar de boel een beetje op orde. Hij draagt de
Scandinavisch aandoende naam Mr.Nilsson en is in staat zonder haperen
Erbarme dich achterstevoren te zingen.
Een nuttige hulp in de huishouding die van wanten weet.” De keuze voor het woord
‘grot’ is veelzeggend. De grot is de ruimte bij uitstek van het onbewuste, van
de baarmoeder, een ongeboren en dus ongedefinieerde toestand. In alle tijden en
culturen hebben mystici zich in grotten teruggetrokken. De
Asclepius-geneesplaatsen in de Oudheid waren vaak afgelegen grotten, waar de
zieke in het abaton wachtte op een
genezing brengende droom. Van Geest gaat in zijn brief door over het “kennelijk
verloren en vergeten siersteentje.”
“Mijn taak is het kleinood veilig en onbeschadigd naar buiten te
transporteren. Via het zgn. doorgeefluik van de neuroses van de dromen belandt
het dan in het bewustzijn van de kale dag, de werkelijkheid die zeer eenvoudig
is en waar ‘alles lijkt op wat het is’, het motto van mijn schilderkunst.” Hier
wordt een bewustwordingsproces omschreven. De kleine diamant is het
alchemistische symbool van het Zelf. In een Jungiaans-alchemistische
interpretatie gaat het hier om niets minder dan de
lapis philosophorum, de steen der
wijzen, die buiten ruimte en buiten tijd altijd bestaan heeft en altijd zal
bestaan. Deze diamant is de Graal van wat Jung noemt het individuatieproces, de
sacrale innerlijke kern die verwezenlijkt (naar buiten gebracht) wil worden.
“Eenmaal ontsnapt uit het labyrint van de slaap vervoer ik het edelsteentje naar
‘de tuin van de wezenlijke leegte’. De enclave die hier gratis voor de deur ligt
en waar koningin Alice de lakens uitdeelt. Een lustoord van de hallucinatie waar
de zeldzame materie vervolgens ruim de tijd krijgt om te rijpen en tenslotte te
worden omgetoverd tot een van mijn pictorale heteroniemen. Verre neven, halve
broeders, ontheemde bewoners afkomstig uit het asielcentrum van de geest, zijn
stuk voor stuk uitverkoren om uiteindelijk plaats te nemen op het maagdelijke
canvas.”
En zo kan het hoofd van Frida Kahlo belanden op een flessendroger aangetroffen op een Franse vlooienmarkt en natuurlijk
helemaal verbonden met het iconische beeldidioom van Duchamp, een keurslijf van
lijden, haar gezicht als dame van smarten, als een Congolese Nkisi met pinnen
doorboord. Alles kan, alles lijkt op wat het is. Het leven is niet fijn. We
hadden er nooit aan moeten beginnen, maar het vervelende is dat je je dat pas
realiseert wanneer het te laat is en je allang in het net verstrikt bent
geraakt. Zoals Ry Cooder zingt in Across the Borderline:
When you reach the broken promised land
And every dream slips through your hands
Then you'll know that it's too late to change your mind
'cause you've paid the price to come so far
Daar wil ik graag nog een citaat uit een van de bijbels van de surrealisten aan toevoegen: De Zangen van Maldoror van
de Comte de Lautréamont: Het is nog niet
genoeg dat het leger van lichamelijke en geestelijke smarten, dat ons omgeeft,
geschapen werd: het geheim van ons sjofele noodlot wordt ons niet onthuld
In een brief aan Age Klink schrijft Arie:
Kunst is te allen tijde een compensatie van het lot waarin wij ons bevinden (..)
De surrealisten hadden een speciale interesse voor dromen, voor het onbewuste, de écriture
automatique, voor outsider art en etnografica, zoals blijkt uit de collectie van
Breton. De Zwitserse Meret oppenheimd hield zich bijvoorbeeld intensief bezig
met het werk van Jung. In de periode van omstreeks 1915 tot 1930 werkte Jung aan
de gevaarlijkste en belangrijkste exercitie van zijn eigen ontwikkeling: een
reis door het onbewuste die hij vorm gaf in een in leer gebonden rode foliant
die bekend zou worden als ‘het Rode Boek’, of meer exact:
Liber Novus. Het Nieuwe Boek deelde hij in beperkte kring, pas in 2009 werd het voor het grote publiek toegankelijk. Het is een reis in woord en
beeld – Jung was een begenadigd illustrator – door de wereld van het onbewuste,
een queeste die tot psychose kan leiden wanneer je de macht over het roer
verliest. In wezen is het een post-religieuze zoektocht naar de zin van het
leven. Het individuatieproces heeft tot doel niet het vinden van het ultieme
antwoord maar het bereiken van de ultieme zelfverwerkelijking, het vinden van de
steen, de diamant. Volgend jaar is het honderdvijftig jaar geleden dat Jung
geboren werd en momenteel wordt er van veel kanten gewerkt aan jubileumboeken en
lezingen. “Mijn taak is het kleinood veilig en onbeschadigd naar buiten te
transporteren”, schreef Arie. Dat is een belangrijke taak. Het beschrijven van
dat kleinood is niet mogelijk. Maar een ding is zeker: het is numineus van aard.
Is dit alles slechts een schamele troost voor ons sjofele noodlot? Misschien toch wel iets meer
dan dat. De schilderijen uit de reeks
The broken
promised land bieden in los verband elementen uit het leven van Arie in de semi-imaginaire jungle van zijn ‘tuin van de wezenlijke
leegte’. Door zijn concentratie op de binnenwereld biedt de buitenwereld daarvan
een zinvolle extensie. Binnen en buiten vallen betekenisvol samen. Deze
synchroniciteit is de poëzie op het kruispunt van werkelijkheid en fictie.
Hoewel met foto’s voorbereid, vormen de schilderijen een
andere werkelijkheid, zoals de oerwouden van de Douanier Rousseau meer een persoonlijke beleving dan een afspiegeling van realiteit
zijn. Het gaat om een liminale wereld tussen droom en werkelijkheid in, een
wereld van associaties en vermoede betekenis. Die betekenis moet ongedefinieerd
blijven, want het benoemen ervan impliceert een reduceren tot anekdote. Het
schilderij is en blijft een illusoir vlak, een imaginaire nooduitgang. Het is
compensatie voor de werkelijke werkelijkheid, die als hard en zinledig ervaren
kan worden. Het is de samenhang, de door Arie aangeven groepering in de tuin,
die troost biedt en de leegte wezenlijk maakt.
Wouter Welling
(*) Om deze brieftekst te lezen, klik hier
|